De kleine Johannes II

Frederik van Eeden, De kleine Johannes, deel 2                                                                                                                                                                               

(ongecorrigeerde versie)

Aan mijn kinderen

1


Ik zei al dat ik je misschien nog wat meer over de kleine Johannes zou vertellen. Je hebt vast niet gedacht dat ik mijn woord zou houden, toch?

Dan moet ik je teleurstellen en vertellen hoe het Johannes verder verging. Luister, het is de moeite waard. En wat het mooiste van dit alles is, het lijkt wél op een sprookje! Haast nog meer dan wat ik je al verteld heb.

En toch is dit allemaal echt gebeurd. Misschien zul je het nu weer niet geloven, maar later, veel later, als je een stuk ouder bent zul je het wel zien. Het is veel prettiger het wel te geloven, dus dat wens ik je dan ook van harte toe. Lukt het niet, dan vind ik dat jammer voor je, maar je moet er niet om liegen. Daarom mag je het toch lezen.

En als je hem nú tegenkomt, mag je hem er wel over aanspreken, met mijn groeten. Misschien krijg je geen antwoord, maar hij zal niet kwaad worden. Hij is nog altijd klein, maar toch een stuk groter geworden.

Het mooie weer duurde die avond niet lang. De prachtige wolken die Johannes boven de zee had gezien en waaruit de donkere gestalte getreden was, betekenden onweer. Voor hij weer midden in de duinen was, werden het avondrood en de sterrenhemel verduisterd en dreef een wilde, zoele wind hem verder onder een stofregen zo fijn als nevel. Achter hem, boven de zee, bliksemde en donderde het alsof de hemel werd afgebroken.

Johannes was niet bang. Hij was gelukkig. Hij voelde een warme, sterke hand die de zijne vasthield. Een levende hand waarbij Windekinds hand hem dun, teer en onwerkelijk leek.


Johannes was in de veronderstelling dat er een einde aan alle vragen en problemen was gekomen. Misschien dacht je dat zelf ook wel. Maar hoe zou dat kunnen? Hij was nog maar een jongen die nog niet de helft had begrepen van al die wonderlijke gebeurtenissen die hem waren overkomen. Misschien is het jou wel allemaal duidelijk, maar hem niet. Al dacht hij nu van wel.


'Vriend!' zei hij tegen zijn gids, ik weet nu dat ik slecht ben geweest, echt slecht maar nu bent u toch bij mij gekomen en mag ik uw hand vasthouden. Kan ik het allemaal nog goedmaken? Is er nog tijd?

De donkere gestalte zweeg en liep gestadig verder in de storm en de duisternis. Johannes kon zijn ogen of gezicht niet zien, hij hoorde alleen het schuifelend wapperen van zijn kleren, zwaar van de regen. Toen vroeg hij weer, een beetje angstig omdat de troost waarnaar hij verlangde zo lang uitbleef:

'Mag ik u soms geen vriend noemen? Ben ik dat nog niet waard? Ik heb altijd zo graag een vriend willen hebben. Dat was het fijnste van het leven, vond ik. Eigenlijk het enigste waar ik echt om gaf. En nu heb ik al mijn vrienden verloren. Mijn hondje, Windekind en mijn vader.

Toen kwam er een antwoord:

'Kun jij een echte vriend zijn, Johannes, dan zul je er ook wel een vinden.'

De zachte diepe klank klonk bemoedigend. Wie met die klank sprak, vergaf en had lief. Maar de woorden deden pijn.

'Slecht, slecht,' mompelde Johannes voor zich uit en zette zijn tanden op elkaar. Hij kon wel huilen maar dat lukte niet. Hij was geen goede vriend geweest, niet voor zijn hondje, niet voor Windekind en niet voor zijn vader. Nu wilde hij alles ineens weer goedmaken. Maar dat ging zó maar niet. Dat werd hem nu duidelijk gemaakt.


Het was woest in het duin en stikdonker. Je hoorde de wind razen in de populieren en door het helmgras maar kon niets zien. Hoe ver weg leken nu het stille zonlicht en de vrolijke dieren en bloemen! Zwijgend en haastig liepen de twee verder langs een kronkelend wagenspoor door het dikke vochtige zand en zo af en toe strompelend over de bermen. De weg liep naar de stad.

'Ik zal...' begon Johannes weer terwijl hij vastberaden zijn hoofd ophief. Maar zijn adem stokte.

'Wie zegt er: ik zal? Wie weet wat hij zal? Kan Johannes zeggen: ik ben?'

'Ik ben bedroefd, ik schaam me en ik wil het allemaal anders doen,' zei Johannes.

'Het is goed zo,' zei de zachte diepe stem. Nu kwamen er even tranen in de ogen van Johannes. Hij klemde zich onder het lopen tegen zijn gids aan, zachtjes en rillend.

'Leer het mij dan, vader! ik wil leren hoe ik het allemaal beter kan doen.'

'Niet "vader," Johannes. Wij hebben beiden één vader. Je kunt me broer noemen.


Bij dat woord keek Johannes schuw naar zijn gids op, met een gespannen gezicht en wijde ogen. Er flitste een blauwwit bliksemlicht en Johannes zag het bleke hoofd met de donkere ogen vriendelijk naar hem toegekeerd. Zijn haren dropen van de regen en kleefden aan zijn voorhoofd. De ogen straalden met een intense gloed. Johannes voelde tegelijkertijd een eindeloze liefde en verering en ook een onuitsprekelijk verdriet.


Na een tijdje zei zijn gids het volgende:

'Johannes, luister goed. Ik ga je nu iets zeggen dat je niet mag vergeten. Het goede leven begint nu pas en is moeilijk. Als je onthoudt wat ik je nu ga zeggen zul je nooit meer ongelukkig zijn. Noch het leven, noch de mensen zouden je ongelukkig kunnen maken. Maar zo zal het niet zijn. Met als enige reden dat je het vergeten zal.

Oefen dus je geheugen, want zonder een sterk en juist geheugen wordt geen geluk bereikt. Maar let op, niet het kleine en tijdelijke moet je onthouden maar het grote en het eeuwige.'


Het bliksemde alsof het heelal in een witte vlam ontbrandde en een schrikaanjagend duister kwam daar onmiddellijk voor in de plaats.

Johannes overdacht de woorden die hij gehoord had met grote aandacht en was niet bang of ongerust. Hij hief trots zijn hoofd op. Met wijd open ogen ogen tuurde hij in de hoge duistere hemelkoepel.

'Dit is het grote en eeuwige, nietwaar?' zei hij. 'Dit zal ik onthouden.'

Maar zijn gids zei: 'Niet de donder en de bliksem moet je onthouden, want die zijn tijdelijk en zullen nog vele malen terugkomen. Maar dat je niet bang was en je hoofd omhoog hield, dat moet je onthouden. En ook waarom je dat deed. De bliksem kan je treffen, ook nu op dit moment. Waarom ben je nu niet bang?'

'Omdat u bij me bent,' zei Johannes.

'Welnu dan, Johannes, onthou dan dit: ik ben altijd bij je.'


Zij zwegen lange tijd en Johannes overpeinsde deze paradijselijke woorden maar doorgrondde ze niet. Want als hij er altijd was, dan kon hij dat toch nooit vergeten? Hoewel hij het antwoord al wist, vroeg hij:

'Zult u dan altijd bij me blijven?'

'Zoals ik altijd bij je ben geweest.'

'Maar toen zag ik u niet."

'En al snel zal dat weer zo zijn, maar toch zal ik er zijn. Daarom moet je je geheugen oefenen. Wie kan vergeten en tijdens tegenspoed nabij blijven? Jij bent nooit in de buurt gebleven, Johannes, en ook mij zul je vergeten. Maar ik zal er altijd zijn en je zult mij herinneren. Dan zul je een broer hebben en een vriend als je jezelf geleerd hebt om te herinneren en een trouwe vriend te zijn.'


De weg werd harder en in de verte zagen zij de lichtjes van de stad. Dichtbij schemerden vierkante plekjes oranjegeel licht, stil en angstig in de regen en duisternis, verlichte venstertjes van woningen, zelf nog onzichtbaar in de nacht. Nu zagen zij de plassen glinsteren en kwamen iemand tegen. Een haastige zware voetstap, een roodglimmend vonkje van een sigaar. Johannes rook de welbekende giftige mensenlucht van natte kleren en tabaksrook. Bij het felle weerlicht zag hij plotseling om hem heen kleine witte en grauwe mensenhuizen. Hij zag de glimmende straatweg en vér voor hem uit hooibergen, een paal langs de weg, allemaal plotseling griezelig scherp en bleek belicht. Toen veranderde er iets. Het werd hem opeens allemaal duidelijk, zoals tijdens het wakker worden een stem anders klinkt dan in een droom.

Hij voelde zich duidelijk een gewoon mens zoals iedereen. En zijn illustere metgezel was er ook een, een normale man. Hij zag hen beiden zoals voorbijgangers hen zouden zien, een man met een jongen aan de hand, nat in de regen. Windekind werd niet nat in de regen.


De voorstad kwam met meer en meer licht en gedruis. Het was niet de grote stad waar Johannes met Pluizer had gewoond, maar het kleine plaatsje waar hij geboren was en naar school was gegaan.

Toen ze dichterbij kwamen hoorden ze door het geruis van de regen en het gerommel van het onweer heen allerlei klanken die Johannes zich nog goed van vroeger kon herinneren. Het was een vaag geroezemoes van stemmen, gezang, constante draaiorgelmuziek met kleine scherpe geluidjes ertussen van trompetjes en fluiten en geknal van vuurwerk en schoten en zo af en toe een snerpend gefluit of het luiden van een bel. Het was kermis.

'Nu moet je oppassen, Johannes, nu komen de mensen,' zei zijn metgezel.


Johannes schrok. Zijn taak zou beginnen. Hij mocht niet meer neerkijken op mensen en zijn eigen menselijke afkomst niet verloochenen. Hij wist dat hij de weg was kwijtgeraakt en was vastbesloten zijn leven te beteren. Had de goede Dood niet gezegd dat het wel de moeite waard was om een goed mens te zijn? Nu zou hij dan onder de mensen komen en bewijzen dat hij een goed mens was. Hun pijn verlichten en hun verdriet verzachten. Dat was toch wat hij had geleerd van zijn gids? Hij was erg gespannen, hij huiverde in zijn natte kleren. Johannes wou sterk en dapper zijn, een mens onder de mensen. Hij vermande zich en met flinke stappen ging hij de stad in.
















 









Make a Free Website with Yola.