De kleine Johannes


Onderstaande tekst is niet gecorrigeerd.


 HOOFDSTUK XI

 

“Wij zullen wel zien” zei Pluizer, of ik je niet net zoveel moois kan vertonen als Windekind.”

En toen zij de dokter goedendag hadden gezegd en beloofd hadden dat ze spoedig weer terug zouden komen, leidde Pluizer Johannes rond door alle hoeken van de grote stad, hij liet hem zien hoe het grote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde, hoe het in zichzelf verteerde en uit zichzelf weer opgroeide.

Maar hij had een voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de mensen dicht opeengepakt woonden, waar alles grauw en groezelig en de lucht zwaar en bedompt was.

Hij ging mee in een van de grote fabrieken, waaruit de rook opsteeg, die Johannes de eerste dag gezien had. Er heerste een oorverdovend geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, grote wielen wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; muren en grond zagen zwart, de vensters waren bestoven of gebroken. Hoog rezen de geweldige schoorstenen boven het zwarte gebouw uit en braakten dikke, kronkelende rookzuilen uit. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal van mensen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleren, zwijgend en rusteloos werken.

“Wie zijn dat?” vroeg hij.

“Radertjes, ook radertjes,” lachte Pluizer, “of mensen, als je wilt. Wat ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Je kan ook op zo’n manier mens zijn.

Zij liepen door vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zo smal leek als een vinger en ook nog eens verduisterd werd door buiten gehangen kleren en lappen. Het krioelde daar van de mensen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden, lachten en zongen. In de huizen waren de kamertjes zo klein, zo donker en bedompt, dat Johannes er nauwelijks durfde te ademen. Hij zag haveloze kinderen over de kale vloer kruipen en jonge meisjes met verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere en bleke baby’s. Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem heen zagen er moe of dom en onverschillig uit.

Deze donkere kant van de samenleving greep Johannes erg aan. Het had geen overeenkomsten met zijn eigen verdriet en daarom schaamde hij zich.

“Pluizer,” vroeg hij, “hebben die mensen altijd zo geleefd, zo akelig en ellendig?

“Welzeker, en dat is maar goed ook. Zij leven helemaal niet zo akelig en ellendig, ze zijn het zo gewend en weten niet beter. Het is dom en onverschillig vee. Kijk eens naar die twee vrouwen die daar voor hun deur zitten! Ze kijken net zo tevreden hun straat in als jij vroeger naar de duinen! Om die mensen hoef je niet te huilen. Dan kan je ook om de mollen huilen, omdat die nooit het daglicht zien.”

Johannes wist niets terug te zeggen.

Temidden van het luidruchtige gewoel zag hij steeds maar weer de bleke, hologige man voortschrijden, met geluidloze tred.

“Toch een goede man, nietwaar?” zei Pluizer, “de mensen hieruit weg te halen. Maar ondanks dat, zijn de mensen toch bang voor hem.”

Toen de nacht was ingevallen, en de honderden lichtjes in de wind flikkerden en hun beelden in het water weerkaatsten, liepen ze samen door de stille straten. De oude hoge huizen leken vermoeid tegen elkaar aan te leunen. De meeste mensen sliepen al, maar hier en daar schemerde nog een venster met een matte, gele glans.

Pluizer vertelde Johannes lange verhalen over de mensen achter die gevels, over de pijn die daar werd uitgestaan en over strijd tussen ellende en levenslust die daar gestreden werd. Niets werd Johannes bespaard. De somberste, de meest lage en platte vertelsels zocht hij uit, en hij grinnikte van genoegen als hij zag hoe Johannes door zijn verschrikkelijke verhalen werd getroffen en bleek en zwijgend verder liep.

“Pluizer,” vroeg hij opeens, “wat weet jij van het Grote Licht?”

Hij dacht, dat die vraag hem zou redden uit de duisternis die zich steeds dichter en drukkender om zich heen sloot.

“Praatjes! Praatjes van Windekind! zei Pluizer. “Hersenspinsels en dromerijen! Er zijn alleen mensen, en ikzelf. Dacht je dat er een God of zo iets was die er plezier in had om over deze rommel te regeren? Als er zo’n groot licht bestaat zouden er niet zo veel in het donker leven.

“En de sterren, die sterren dan” probeerde Johannes alsof hij verwachtte dat die zichtbare grootheid de armoede om hem heen kon verzachten.

“Die sterren? Weet je wel waarover je praat, ventje? Dat zijn geen lichtjes daarboven, zoals de lantaarns die je hier om je heen ziet. Dat zijn allemaal werelden, allemaal vele malen groter dan onze wereld met haar duizenden steden. En daartussen zweven wij als een klein stofje, en er is geen onder of boven, aan alle kanten zijn werelden, alleen maar werelden en dat houdt nooit, maar dan ook nooit op.”


Make a Free Website with Yola.