De kleine Johannes

Onderstaande tekst is een niet-gecorrigeerde versie.


 HOOFDSTUK 2  Windekind

 

Het was warm bij de vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van haar dagelijkse werk, scheen een ogenblik op een verre duinrand uit te rusten, vóór ze onderdook. Het gladde water weerkaatste vrijwel perfect haar gloeiende verschijning. De over de vijver hangende bladeren van de beuk maakten van de stilte ge­bruik om zich eens aandachtig in de spiegel te bekijken. De een­zame reiger, die tussen de brede bladeren van de water­lelie op één poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.

Daar kwam Johannes op het grasveldje, om de wolken­grot te zien. Plomp! plomp! sprongen de kikvorsen van de kant. De spiegel trok rimpels, het zonnebeeld brak in brede strepen en de beukenbladeren ritselden ver­stoord.

Vastgebonden aan de naakte wortels van de beuk lag een oude kleine boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was deze avond de verleiding sterk! Reeds vormden de wolken zich tot een grootse poort waarachter de zon ter ruste zou gaan. Schitterende rijen wolkjes schaarden zich erlangs als een goudgeharnaste li­jfwacht. Het wa­tervlak gloeide mee en rode vonken vlogen als pijlen door het oeverriet.

Langzaam maakte Johannes het touw van de boot van de beukenwortels los. Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was al in de boot ge­sprongen en voordat zijn baas er erg in had dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes lag op de voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!

De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs de oever. Roerloos staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen de donkere achtergrond leek dat net een prachtig bleek­groen kantwerk.

Stil! wat was dat? Het schoot als een suizeling over het wa­te­rvlak, als een lichte wind­vlaag die een spitse snede in het water groeft. Het kwam van de duinen, van de wolkgrot.

Toen Johannes omkeek, zat een grote blauwe waterjuf­fer op de rand van de boot. Zo groot had hij ze nog nooit gezien. Ze zat stil, maar haar vleugels bleven in een wijde cirkel trillen. Johannes vond dat de punten van haar vleugels een lichtende ring vormden.

Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.

Maar de ring werd groter en groter en de vleugels trilden zo snel, dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit die nevel twee donkere ogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte, in een tederblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde haar was een krans van witte winden en aan de schouders gazen haftvleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitter­den.

Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dàt was een wonder!

“Wil je mijn vriend zijn?” fluisterde hij.

Dat was wel een zonderlinge wijze om een vreemde aan te spreken, maar het ging hier niet gewoon toe. En hij had het gevoel of hij het vreemde wezen al lang kende.

“Ja, Johannes!” hoorde hij, en de stem klonk als het schuifelen van het riet in de avond­wind of het ruisen van de regen op de bladeren in het bos.

“Hoe moet ik u noemen?” vroeg Johannes.

“Ik ben geboren in de kelk van een winde. Noem mij Windekind!”

En Windekind lachte en staarde Johannes zo vertrouwenwekkend in de ogen dat het geluksgevoel door zijn lijfje stroomde.

“Het is vandaag mijn verjaardag,” zei Windekind “ik ben hier in de buurt geboren, uit de eerste stralen van de maan en de laatste van de zon. Men zegt weleens dat de zon vrouwelijk is. Dat is niet waar. Het is mijn vader.”

“En kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijn moeder al te voorschijn. Dag moeder! o, o, wat kijkt zij weer lief en zorgelijk!”

Hij wees naar de oosterkimmen. Groot en glanzend rees daar de maan aan de blauwe hemel, achter de silhouetten van de wilgen dat zwart tegen de lichte schijf afstak. Zij zette werkelijk een heel pi­jnlijk gezicht.

“Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!”

Het mooie wezentje trilde vrolijk met de gazen vleugels en tikte Johannes met de iris­bloem die hij in de hand had op zijn wang.

“Zij vindt het niet goed dat ik bij je gekomen ben. Jij bent de eerste. Maar ik vertrouw je, Johannes. Je mag nooit, nooit aan een mens mijn naam noemen of over mij spreken. Beloof je dat?”

“Ja, Windekind,” zei Johannes. Het was hem nog zo vreemd. Hij voelde zich onuitsprekelijk gelukkig, maar was bang zijn geluk te verliezen. Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het wa­tervlak en dansten zoals altijd in de zoele lucht. Het was allemaal zo helder en duidelijk om hem heen. Het moest de waarheid zijn. En steeds voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke ogen naar hem keken. Daar klonk weer de zoete, ruisende stem:

“Ik heb je vaak hier gezien, Johannes. Weet je waar ik was? Soms zat ik op de zandgrond van de vijver tussen de dichte water­planten en keek ik naar je op als je over het wa­ter heen boog om te drinken of om de watertorren en sala­manders te bekijken. Maar mij heb je nooit gezien. Vaak keek ik naar je vanuit het dichte riet. Daar ben ik heel veel. Daar slaap ik meestal als het warm is. In een leeg rietzangersnest. Ja! dat is heel zacht.”

Windekind wiegde vergenoegd op de rand van de boot en sloeg met zijn bloem naar de muggen.

“Nu kom ik je wat gezelschap houden. Je leven is anders zo saai. We zullen goede vrienden van elkaar zijn en ik zal je veel vertellen. Veel betere dingen dan de schoolmeesters je wijsmaken. Die weten er volstrekt niets van. En als je mij niet gelooft, zal ik het je laten zien en horen. Ik zal je meen­emen.”

“O, Windekind! lieve Windekind! kun je mij daarheen mee­­n­emen?” riep Johannes, en wees naar de kant waar net het purperen licht van de ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Reeds ging het heerlijke gevaarte in grijze nevels vervloeien. Toch drong de bleekrode glans nog uit de verste diepte te voorschijn.

Windekind staarde in het licht, dat fijn fijne gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en schudde zachtjes het hoofd.

“Nu niet! nu niet, Johannes. Je moet nu niet teveel vragen. Ik ben zelf nog nooit bij vader geweest.”

“Ik ben altijd bij mijn vader,” zei Johannes.

“Neen! dat is je vader niet. Wij zijn broers, mijn vader is ook de jouwe. Maar jouw moeder is de aarde en daarom zijn wij zo verschillend. Ook ben je in een huis bij mensen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste is zeker beter, maar toch zullen wij het samen goed kunnen vinden!”

Toen sprong Windekind luchtig op de rand van de boot, die niet bewoog onder die last, en kuste Johannes op zijn voorhoofd.

Wat was dat een vreemd gevoel voor Johannes! Het was of alles om hem heen veranderde.

Hij zag nu alles veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan nu veel vriendelijker keek, en hij zag dat de waterlelies gezichten hadden, waarmee zij hem ver­wonderd en peinzend aanstaarden.

Hij begreep nu opeens, waarom de muggen zo vrolijk op en neer dansten, altijd om elkaar heen, open neer, tot ze met hun lange benen het water raakte. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het vanzelf.

Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de bomen aan de oever zachtjes mopperden dat de zon was ondergegaan.

“O, Windekind! , wat is dit fijn. Ja, wij zullen het goed met elkaar kunnen vinden!”

“Geef mij een hand” zei Windekind, en sloeg de veelk­leurige vleugels uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het wa­ter, door de bladeren van de waterlelies die glinsterden in het maanlicht.

Hier en daar zat een kikker op een blad. Maar nu sprong hij niet in ’t water toen Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en zei: “Kwak!” Johannes boog beleefd terug: hij wilde vooral niet verwaand overkomen.

Toen kwamen zij bij het riet, dat was breed en de hele boot verdween er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes pakte zijn begeleider stevig vast en toen klauter­den zij tussen de hoge halmen aan land.

Johannes vond wel dat hij kleiner en lichter was ge­worden, maar dat was misschien ver­beelding. Toch herin­nerde hij zich niet dat hij ooit tegen riethalm had kunnen opklimmen.

“Let nu goed op,” zei Windekind, “nu zul je iets leuks zien.”

Zij wandelden tussen het hoge gras onder donker kre­upel­hout dat hier en daar een smal, glanzend straaltje van het maan­licht doorliet.

“Heb je ’s avonds de krekels weleens gehoord, Johannes, in de duinen? Het lijkt of ze een concert geven, nietwaar? en je kunt nooit horen waar het geluid vandaan komt. Wel, zij zingen nooit voor hun plezier, het geluid komt van de krekelschool, waar hon­derd krekeltjes hun lessen van buiten leren. Wees nu stil, want we zijn er bijna.”

Shrrr! Shrrr!

Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de grashalmen uiteenschoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje, waar de krekeltjes bezig waren tussen het dunne, sprietige duingras hun lessen te leren.

Shrrr! Shrrr!

Een grote, dikke krekel was de meester en overhoorde. Eén voor één sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een paddestoel te kijk staan.

“Luister goed, Johannes! dan kun je misschien óók wat leren,” zei Windekind.

Johannes verstond heel goed wat de krekeltjes antwo­ordden. Maar het leek niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam aardrijkskunde. Van de werelden wis­ten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen kennen en twee vijvers. Van wat verder was kon niemand iets weten, zei de meester, en wat er van verteld werd, was ingebeelde fantasie.

Toen kwam biologie aan de beurt.

Maar de dierkunde verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en vliegen en ston­den dus bovenaan, dan volgden de kikkers. Vogels werden met alle tekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk genoemd. Eindelijk werd ook de mens besproken. Het was een groot, nutteloos en schadelijk dier dat zeer laag stond want het kon niet vliegen of springen, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat nog nooit een mens gezien had, kreeg drie slagen met een rietje omdat hij de mensen bij vergissing onder de on­schadelijke dieren telde.

Zoiets had Johannes nog nooit gehoord.

Toen riep de meester ineens: “Stilte! springoefening!” Dadelijk hielden alle krekeltjes op met lesjes leren en be­gonnen op een heel knappe en drukke manier haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.

Dat was zo’n vrolijk gezicht, dat Johannes in z’n han­den klapte van plezier. Op dat geluid stoof de hele school in een ogenblik het duin in en werd het doodstil op het grasveldje.

“Ja, dat komt ervan, Johannes. Je moet je niet zo bot gedra­gen! Ik kan toch wel merken, dat jij bij mensen ge­boren bent!”

“Het spijt me, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zo leuk!”

“Het wordt nog veel leuker,” zei Windekind.

Zij staken het grasveldje over en beklommen de duin aan de an­dere kant. Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; maar toen Johannes Windekind bij het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegen op. Halverwege de top was een konijnen­hol.

Het konijntje dat er woonde lag met kop en voorpoten uit de ingang. De duin­rozen bloeiden nog en haar fijne, zachte geur mengde zich met die van het tijmkruid, dat op de duintop groeide.

Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan gedacht: hoe zou het er daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij elkaar zitten, en zouden zij het daar niet be­nauwd hebben?

Hij was dan ook heel blij toen hij zijn metgezel aan het konijntje hoorde vragen of zij het hol eens mochten bekijken.

“Van mij wel!, zei het konijntje. “Maar het komt een beetje ongelukkig uit: ik heb juist voor vanavond mijn hol afgestaan voor een weldadigheidsfeest en ben dus eigenlijk geen baas in eigen huis.”

“O, jee! is er een ongeluk gebeurd?

“Ach ja!” zei het konijntje verdrietig: “Een grote ramp! Wij komen het in geen jaren te boven. Een duizend sprongen hier van­daan is een mensenhuis gebouwd, zo groot! zo groot! En er zijn mensen komen wonen met hon­den. Er zijn wel zeven familieleden van mij bij omgekomen en nog driemaal zoveel van hun hol beroofd. En het is voor de familie Muis en de familie Mol nog erger geweest. Ook de padden hebben erg geleden. Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nabestaanden. Ieder doet het zijne, ik heb mijn hol beschikbaar gesteld. Je moet wat over hebben voor je natuurgenoten.”

Het zielige konijntje zuchtte en haalde met de rechter voorpoot het lange oor over zijn kopje, om er een traan mee weg te pinken. Dat was zo zijn zakdoek.

Daar ritselde iets in het helmgras en een dikke logge gedaante kwam op het hol toe scharrelen.

“Kijk!” riep Windekind, “daar komt vader Pad ook al aange­huppeld. Wel! wel! durf je nog wel zo laat op pad, Pad!”

 De pad trok zich niets van het grapje aan. Woordspelingen over zijn naam verveelden hem al lang. Rustig legde hij een volle graanhalm, netjes in een droog blad gewikkeld, bij de ingang neer en klom handig over de rug van het konijntje naar binnen.

“Mogen wij ook naar binnengaan?” vroeg Johannes die erg nieuwsgierig was. “Ik zal ook wat geven”

Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Toen hij het tevoorschijn haalde, merkte hij pas hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks met twee handen tillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak gezeten had.

“Dat is zeer kostbaar en zeldzaam!” riep het konijntje. “Dat is een kostbaar geschenk!”

Eerbiedig maakte hij voor de twee de toegang vrij. Het was donker in het hol en Johannes liet Windekind maar voorgaan. Spoedig zagen zij een bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die hen welwillend aanbood bij te lichten.

“Het belooft een aangename avond te worden,” zei de glim­worm, er zijn al veel gasten. Jullie zijn elfen, is het niet? De glim­worm keek daarbij enigszins wantrouwend naar Johannes.

“Je kunt ons als elfen aankondigen,” antwoordde Windekind.

“Weet je dat jullie koning van de partij is?” ging de glim­worm verder.

“Is Oberon hier? Wel, dat doet mij echt veel plezier,” riep Windekind, “ik ken hem per­soonlijk.”

“O?” zei de glimworm, “ik wist niet dat ik de eer had...” en zijn lichtje ging bijna uit van de schrik. “Ja, Zijne Majesteit houdt gewoonlijk meer van de buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het zal wel een schitterend feest zijn.”

Dat was het inderdaad. De grote zaal in het konijnenhol was prachtig versierd. De vloer was platgetreden en met geurige tijm bestrooid; dwars voor de ingang hing een vleermuis aan zijn achterpoten. Deze riep de namen van de gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een zuinigheidsmaatregel. De wanden van de zaal waren smaakvol versierd met dorre bladeren, spin­nenwebben en kleine hangende vleermuisjes. Ontelbaar veel glimwormen kropen daartussen en over de zoldering rond, en vormden een aller­aardigste beweeglijke verlichting. Er was aan ’t eind van de zaal een troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was en mooi gezicht!

Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde menigte en kroop dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. Een mol sprak druk met een veldmuis over de mooie verlichting en ver­sierselen. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofd­schuddend tegen elkaar te jammeren over het aan­houdend droge weer. Een kikker probeerde gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, wat hem slecht afging, want hij was zo verlegen en opgewonden dat hij steeds te ver sprong en hij soms de wandversiering flink in de war bracht.

Op de troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg elfen, die een beetje minachtend op de omgeving neerkeken. De koning zelf was, zoals een vorst dat hoort te doen, heel beleefd en sprak vriendelijk met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het oosten en had een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloem­bladen aan. Zulke bloemen bloeien hier niet, dacht Johannes. Op zijn hoofd droeg hij een donkerblauw bloemkelkje, dat een nog frisse geur verspreidde al­sof het net geplukt was. In zijn hand hield hij als koningsstaf de meeldraad van een lotusbloem.

Alle aanwezigen bewonderden stilletjes zijn goedheid. Hij had het maanlicht in de duinen geprezen en gezegd dat de glim­wormen hier bijna net zo mooi als de oosterse vu­urvliegen. Ook had hij met plezier naar de wandversier­ing gekeken en een mol had zelfs opgemerkt, dat hij goed­keurend met zijn hoofd had geknikt.

“Ga mee,” zei Windekind tegen Johannes, dan zal ik je voorstellen. En zij drongen door tot aan de zitplaats van de koning.

Oberon spreidde zijn armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en kuste hem. Dit had gefluister onder de gasten en jaloerse blikken van het elfengevolg tot gevolg. De twee dikke padden in de hoek mompelden samen iets van ‘vleiers’ en ‘kruipen’ en ‘niet lang duren’; toen knikten zij elkaar veelbetekenend toe.

Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen Johannes om dichterbij te komen.

“Geef mij de hand, Johannes” zei de koning. “Windekinds vrienden zijn de mijne. Waar ik kan, zal ik je helpen. Ik zal je een teken van ons verbond geven”. Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het respectvol aannam en vast in zijn hand sloot.

“Dat sleuteltje kan je geluk zijn” ging de koning voort. “Het past op een gouden kastje dat kostbare schatten bevat. Maar wie dat heeft, kan ik je niet zeggen. Je moet maar ijverig zoeken. Als je goede vrienden met mij en Windekind blijft en flink en trouw bent, zal het je wel lukken.” De elfenkoning knikte daarbij hartelijk en Johannes be­dankte hem overgelukkig.

Daar begonnen drie kikkers, die op een klein podium van vochtig mos zaten, het begin van een langzame wals te zingen, en er vormden zich paartjes. Zij die niet dansten werden door een groen hagedisje, dat als cer­moniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de kanten geduwd, tot grote ergernis van de twee padden, die klaagden dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans.

Dat was pas grappig. Iedereen danste op zijn eigen manier en verbeeldde zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de an­deren. De muizen en de kikvorsen sprongen hoog op hun achterste poten, een oude rat draaide zo woest, dat alle dansers voor hem opzij gingen, en ook een vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op met het smoesje dat ze er steken van in de zij kreeg. De ware reden was dat zij het niet zo goed kon.

Maar het ging er heel serieus en deftig aan toe. Men maakte er een erezaak van, en gluurde angstig naar de koning om een teken van goedkeuring op zijn gezicht te zien. Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en vertrok geen spier. Zijn dienaren vond het beneden hun stand om mee te dansen.

Johannes had zich bij al dat plechtige gedoe lang goed gehouden. Maar toen hij een klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige padje soms hoog boven de grond tilde en een halve cirkel in de lucht liet beschrijven, kon hij zijn vrolijkheid niet meer inhouden en barstte in schaterlachen uit.

Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek ver­stoord om. De ceremonie­meester vloog in volle vaart op de lacher af en verzocht hem dringend zich wat netter te gedragen.

“Dansen is een ernstige zaak,” zei hij, “en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier een deftig gezelschap, waar je niet zomaar voor de grap danst. Iedereen deed zijn best en nie­mand wacht er op om uitgelachen te worden. Dat is bot. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen. Je moet je hier fatsoenlijk gedragen en niet doen alsof je bij de mensen bent!”

Daar schrok Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn vertrouwelijkheid met de koning had hem al vele vijanden bezorgd. Windekind trok hem terzijde:

“Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes” fluisterde hij, “je hebt het weer bedor­ven. Ja! Ja! dat komt ervan, als je bij de mensen bent opgevoed!”

Haastig glipten zij onder de vleugels van de vleermuis­portier door en kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.

“Hebben jullie je goed geamuseerd?” vroeg hij. Heb je koning Oberon gesproken?”

“O ja! het was een vrolijk feest,” zei Johannes; “moet jij hier altijd in de donkere gang blijven?”

“Dat is een eigen vrije keus,” zei de glimworm op droevige bittere toon. “Ik hou niet meer van die ijdelhe­den.”

“Kom,” zei Windekind, “dat meen je niet.”

“Het is zoals ik zeg. Vroeger, – vroeger was er een tijd dat ik ook naar feesten ging en danste, en mij met zulke kinderachtige dingen bezighield. Maar nu ben ik door het lijden wijzer geworden, nu...”

En hij werd zo ontroerd dat zijn lichtje weer uitging. Gelukkig waren zij dicht bij de uitgang en het konijntje, dat ze hoorde aankomen, ging een beetje opzij, zodat het maan­licht naar binnen scheen.

Zodra zij bij het konijntje buiten waren, zei Johannes:

“Vertel ons uw verhaal eens, glimworm!”

“Ach!” zuchtte de glimworm, “dat is eenvoudig en droevig. Je zult het niet leuk vinden om te horen.”

“Vertel op, vertel het toch maar,” riepen ze allemaal.

“Nu: jullie weten allemaal wel, dat wij glimwormen zeer bij­zondere wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegen­spreken, dat wij glimwormen het hoogst be­gaafd zijn van al wat leeft.”

“Waarom? dat weet ik niet,” zei het konijntje.

Met minachting vroeg de glimworm toen: “Kun jij licht geven?”

“Nee! dat niet” moest het konijntje toegeven.

“Nu, wij geven licht! Allemaal! En wij kunnen het laten schijnen en doven, wat we maar willen. Licht is de beste gave van de natuur, en licht geven het hoogste wat een levend wezen kan doen. Zou iemand nog onze hoogste rang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels en kunnen kilometers ver vliegen.”

“Dat kan ik ook niet,” bekende het konijntje nederig.

“Door de goddelijke gave van het licht die wij hebben,” ging de glimworm voort, “worden wij door andere dieren gespaard. Geen vogel zal ons aanvallen. Alleen één dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mee. Dat is de mens, het verfoeilijkst ge­drocht der schepping.”

Johannes keek Windekind aan bij deze uitbarsting alsof hij het niet begreep. Maar Windekind glimlachte en wenkte hem te zwij­gen.

“Eens vloog ik vrolijk rond, als een helder dwaallicht tussen de donkere heesters. En op een verlaten, vochtig grasveldje, aan de oever van een sloot, daar woonde zij, wiens bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbon­den. Prachtig schitterde zij in bleke smaragdglans als zij tussen de grashalmen voortkroop, en machtig bekoorde zij mijn jonge hart. Ik vloog om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans haar aandacht te trekken. Dankbaar zag ik hoe zij mijn groet bespeurde en preuts haar lichtje doofde. Sidderend van emotie stond ik op het punt mijn vleugels samen te vouwen en in verrukking naast mijn stralende geliefde neer te strijken, toen een vreselijk geluid de lucht vervulde. Donkere gestalten naderden. Het waren mensen. Ik sloeg geschrokken op de vlucht. Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met grote, zwarte dingen. Maar sneller dan hun logge benen droe­gen mij mijn vleugels.”

“Toen ik terugkwam...”

Hier stokte de stem van de verteller. Pas na een ogen­blik van stille emotie, waarin de drie toehoorders eerbiedig zwegen, ging hij voort:

“Je kunt het al vermoeden. Mijn tedere bruid, -de glan­srijkste en schitterendste onder allen, zij was verdwenen, meegesleept door een boosaardig mens. Het stille vochtige grasveldje was vertrapt en haar geliefde plekje aan de sloot was donker en leeg. Ik was alleen op de wereld.”

Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een traan weg te pinken.

“Sinds die tijd ben ik veranderd. Ik walg van elk ijdel ver­maak. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan de tijd dat ik haar zal weerzien.”

“Zo! heb je daar nog hoop op?” vroeg het konijntje ver­heugd.

“Ik heb meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijn geliefde weerzien.”

“Maar...” wilde het konijntje inbrengen.

“Konijn!” zei de glimworm ernstig, “ik kan begrijpen, dat iemand die in het duister moet rondtasten, twijfelt. Maar wanneer je kan zien, met eigen ogen zien! dan is voor mij elke onzekerheid een raadsel. “Daar!” zei het glim­wormpje, en keek vol eerbied naar de fonkelende sterren­hemel.. “Daar zie ik ze! al mijn vaderen, al mijn vrienden en ook haar, duidelijk stralen, in een nog mooiere glans dan hier op aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen verheffen en naar haar toe vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?”

Zuchtend verliet het glimwormpje zijn toehoorders en kroop weer in zijn donkere hol.

“Arm schepsel!” zei het konijntje, “ik hoop dat hij gelijk heeft.”

“Ik hoop het ook” voegde Johannes er aan toe.

“Ik ben er bang voor” zei Windekind, “maar het was zeer aan­doenlijk.”

“Lieve Windekind,” begon Johannes, “ik ben heel moe en heb slaap.”

“Kom dan naast me, ik zal je met mijn mantel toedekken.”

Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en zichzelf uit. Zo gingen zij liggen, in het geurige mos op de duinhelling, de armen om elkaars hals geslagen.

“Jullie hoofden liggen wat laag,” riep het konijntje, “willen jullie die tegen mij aan laten rusten?”

Dat deden zij.

“Welterusten moeder!” zei Windekind tot de maan.

Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in zijn hand, vlijde zijn hoofd tegen het donzige vel van het goedige en sliep rustig in.


Make a Free Website with Yola.