De kleine Johannes

Onderstaande tekst is niet gecorrigeerd.


 HOOFDSTUK VII

 

Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door de storm ontbladerd, huilden in de mist.

Over het natte, neergeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort, voor zich uit starend naar de kant waar het bos lichter werd, alsof hij daar een doel had. Zijn ogen waren rood van het huilen en strak van angst en tegenspoed. Zo had hij de gehele nacht gelopen, alleen zoekend naar het licht, samen met Windekind was het veilige thuisgevoel verdwenen. In elke donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet om te kijken.

Eindelijk kwam hij bij de bosrand. Hij keek uit over een weiland waarop een fijne, klamme regen langzaam neerstreek. Midden op het weiland stond een paard, naast een kale wilgeboom Hij stond onbeweeglijk met gebogen hoofd en het water druppelde traag van zijn glimmende rug en uit de samengeplakte manen.

Johannes liep door, langs het bos. Hij keek met matte, angstige blik naar het eenzame paard en de grauwe regennevel, hij kreunde zacht.

“Nu is alles uit,” dacht hij; “nu zal de zon wel nooit meer terugkomen. Het zal altijd blijven zoals het nu is.”

Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stil te staan, dan zou het vreselijkste komen dacht hij

Toen zag hij het grote hek van een tuin en een huisje onder een lindeboom met heldergele bladeren.

Hij ging het hek door en liep door de brede lanen waar de bruine en gele lindebladeren in een dikke laag de grond bedekten. Langs de grasperken groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd door elkaar heen.

Hij kwam bij een vijver. Daar stond een groot huis met lage ramen en glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was doodstil en alles was gesloten. Half ontbladerde kastanjebomen stonden stil rond het huis en op de grond, tussen het afgevallen lover, zag Johannes de glimmende bruine kastanjes blinken

Toen verdween het kille, dode gevoel. Hij dacht aan zijn eigen huis, daar waren ook kastanjebomen, en altijd ging hij in deze tijd de gladde kastanjes zoeken. Hij kreeg plotseling een gevoel van heimwee, alsof hij een bekende stem had horen roepen. Hij ging op een bank bij het grote huis zitten en huilde tot hij wat rustiger werd.

Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem met een wit vooorschoot om en en pijp in zijn mond. Om zijn middel had hij stroken lindebast, waarmee hij de bloemen opbond. Johannes kende die geur zo goed, het deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan de tuinman die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.

Hij schrok niet, al was het een mens die bij hem stond. Hij vertelde de man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar de kleine woning onder de geelgebladerde lindeboom.

Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Boven het turfvuurtje op de haardplaat hing een grote ketel water te koken. Op de vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpoten, net zoals Simon gezeten had toen Johannes van huis ging.

Johannes werd bij het vuur gezet om zijn voeten te drogen.

“Tik! - Tik! - Tik! - Tik!” zei de grote hangklok. Johannes keek naar de stoom die suizend uit de ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes die vlug en grillig om de turven huppelden.

“Nu ben ik onder de mensen,” dacht hij.

Dat was niet onaangenaam. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en vriendelijk en vroegen hem, wat hij nou het liefste wilde.

“Het liefst wil ik hier blijven,” antwooordde hij.

Hier had hij rust, en als hij naar huis ging zouden er verdriet en tranen komen. Hij zou niet alles kunnen vertellen en ze zouden hem zeggen dat hij slecht had gehandeld. Hij zou steeds moeten terugblikken en alles overdenken…

Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar liever droeg hij het stille verlangen hier in deze omgeving, dan thuis de pijnlijke en moeizame confrontatie aan te gaan. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en thuis niet.

Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land waar de palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op hem wachten.

Daarom smeekte hij de beide goede mensen of hij bij hen mocht blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen de tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen deze winter maar. Want hij hoopte in stilte dat Windekind met de lente zou terugkomen.

De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggelopen omdat hij thuis slecht behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem en beloofden hem dat hij blijven mocht.

Hij bleef en hielp de bloemen in de tuin verzorgen. Ze gaven hem een slaapkamertje met een bedstee van blauwe planken. Daar vanuit zag hij ’s-ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en ’s-nachts de donkere stammen heen en weer wiegen, waarachter de sterren schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de helderste: Windekind.

Aan de bloemen, waarvan hij de meeste van huis kende, vertelde hij zijn verhaal. Aan de ernstige, grote asters, aan de kleurige zinnia’s, aan de witte chrysanten, die zo lang bleven bloeien in het ruwe najaar. Toen alle andere bloemen al dood waren stonden de chrysanten nog, en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes vroeg naar hen kwam kijken, staken zij hun vrolijke gezichtjes op en zeiden: “Ja, wij zijn er nog! Dat had je niet gedacht!” Zij hielden zich goed, maar twee dagen later waren zij allemaal dood.

Maar in de serre prijkten dan nog de palmen en boomvarens en hingen de vreemde bloemtrossen van de orchideeën in de vochtige zoelte. Met verwondering staarde Johannes in hun prachtige kelken en dacht aan Windekind… Hoe kil en kleurloos leek alles dan als hij buiten kwam, de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de ratelende, druipende boomgeraamtes

Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren neergedaald, zodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bos. Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna mooier dan het zomergroen als het blinkende wit van de gekruiste takjes tegen de helderblauwe hemel afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af liet glijden zodat het, verstoven tot een wit wolkje, naar beneden daalde.

Op een keer, toen hij tijdens een wandeling zo ver was gekomen dat hij niets anders om zich heen zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken, -half wit, half zwart- en elk geluid en leven verdoofd scheen in het glinsterend donzen omhulsel, gebeurde het dat hij een klein wit diertje snel voor zich uit meende te zien lopen. Hij volgde het, -het leek niet op een diertje dat hij kende, - maar toen hij het wilde pakken verdween het haastig in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening waarin het verdwenen was en dacht: “Zou dat Wistik zijn?”

Hij dacht niet veel aan hem. Het leek hem niet goed en hij wilde zijn straf niet verzwakken. En het leven bij de twee goede mensen riep weinig vragen op. Wel moest hij ’s-avonds voorlezen uit een dik boek waarin veel over God gesproken werd, maar hij kende dat boek en las gedachteloos.

De nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn bedstede en keek naar het koude schijnsel van de maan op de vloer. Daar zag hij opeens twee kleine handjes die boven de beddeplank uitkwamen en zich stevig aan de rand vastpakten. Toen verscheen de punt van een wit pelsmutsje tussen de handjes, en eindelijk zag hij een paar ernsige oogjes onder de hoog o0pgetrokken wenkbrauwen. “Goedenavond, Johannes!” zei Wistik. “Ik kwam je even herinneren aan onze afspraak. Je kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is nog geen lente. Maar denk je er wel aan? Wat is dat voor een dik boek waarin ik je heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.”

“Dat denk ik niet, Wistik,” zei Johannes. Hij draaide zich om en wilde slapen. Maar het sleuteltje bleef in zijn hoofd. En als hij voortaan in het dikke boek las, dacht hij erbij, en zag dan duidelijk dat het niet het echte was.

 

Make a Free Website with Yola.