Prof. dr. A. Keersmaekers, 1979

Van een sprookje naar een droom

prof. dr. A. Keersmaekers


De kleine Johannes, Windekind, Wistik, Pluizer zijn bekende namen voor wie enigszins vertrouwd is met de Nederlandse letterkunde. Zelfs wie het boek van Van Eeden niet gelezen heeft, kent ze; Johannes is al door zijn 'kleinheid' het vriendelijke figuurtje van begaafd kind en weetgierig zoekertje.

Anders is het met Markus Vis, Marjon, het zwarte wijf, tante Seréna en haar gedienstige Daatje, gravin Dolores en haar kinderen Olga en Frieda, jonker Walter van Lieverlee tot Endegeest, dominee Kraalboom en pater Canisius, vader Pan en koning Waan, professor Bommeldoos, Dr. Felbeck en Hakkema: misschien bekend, genieten ze beslist niet de populariteit van de eerste groep.

Die vaststelling is illustratief voor het verschil in succes tussen de drie delen, waaruit het volledige Kleine Johannes-verhaal bestaat. De hoofdoorzaak van dat verschil moet worden gezocht in de diepste gronden waaruit het werk groeide: het eerste deel is ontstaan uit een in hoofdzaak emotionele, lyrische ervaring, de vervolgdelen uit een in hoofdzaak sociaal-religieus idealisme. In een van zijn latere notities schreef Van Eeden, dat het sprookjesleven van het eerste deel droomleven was geworden in de vervolgdelen; dit zeer reële onderscheid verklaart de andere toon en de andere sfeer. Behalve het herhaaldelijk geconstateerde verschijnsel, dat vervolgdelen die veel later ontstaan meestal niet de frisheid noch de hoogte van het eerste deel bewaren, is dat verschil van toon en sfeer mede een verklaring voor het verschil van waardering, dat de onderscheiden delen te beurt is gevallen.


Over het neerschrijven van De kleine Johannes I en de vorderingen daarvan bleven zo goed als geen inlichtingen bewaard. De gevoels- en gedachtenwereld van de jonge Van Eeden daarentegen is des te beter bekend, dank zij dagboeknotities en enkele autobiografische mededelingen, al moeten deze wel eens voorzichtig geïnterpreteerd worden. Bovendien is het werk zelf meer dan eens onthullend: De kleine Johannes I is immers het verhaal van Van Eedens eigen jeugd- en studiejaren, het verhaal van zijn geestelijke evolutie in de groei naar volwassenheid.

Vanaf zijn jeugd blijkt Frederik van Eeden een 'zoeker' te zijn geweest, voor wie het thuis een stimulerend milieu vormde. Vader Van Eeden was een man van veelzijdige eruditie, met ruime culturele belangstelling, als levensfilosoof een scepticus naar midden-negentiende-eeuws recept, in de overtuiging dat de wetenschap alle geheimen ontsluierd had, en als man van wetenschap – vooral botanicus – toch eerder een dilettant. Maar hij slaagde in merkwaardige ondernemingen, realiseerde plannen en schreef heel wat over natuur- en plantenkennis. Op zijn zoon heeft hij een diepgaande invloed gehad, zowel levensbeschouwelijk als op het gebied van vertrouwdheid met alles wat de natuur aanging. Op lange tochten door wouden en duinen liep de kleine Frederik van Eeden, net als de kleine Johannes, 'tien schreden achter zijn vader', luisterend en dromend. Zo verwonderlijk is het dan niet dat de vader na de lectuur van De kleine Johannes I beweerde: 'Driekwart van mij en de rest niet veel zaaks!' Alleen zag Van Eeden Sr. daarbij Johannes' overwinning op Pluizer volkomen over het hoofd. Niet alleen van zijn vader had zoon Van Eeden lessen gekregen.

Van Eeden Jr. was immers vanaf zijn prille jeugd een verwoed lezer, een lust die thuis trouwens werd aangemoedigd en gevoed. Maar hij las groen en rijp. Wat daarvan is bezonken, wat hij bewust en vaak ook onbewust, zeker uit die jeugdjaren, heeft meegedragen, is niet gemakkelijk aanwijsbaar; de scherpe geest heeft het verwerkt tot iets van zichzelf, tot een nieuw geheel. Voor het literaire aspect van De kleine Johannes I wordt verwezen naar onder andere Andersen (Sprookjes inzonderheid De reiskameraad), Shakespeare (A Midsummernight’s Dream), Multatuli (Woutertje Pieterse), E. T.  A. Hoffmann (Das fremde Kind), Dickens (A Christmas Carol), voor bepaalde ideeën naar onder andere de Bijbel, het boeddhisme, Multatuli, Nietzsche (Morgenröthe, voor het slothoofdstuk). Al die invloeden, reminiscenties of lectuurrelicten, samen met evenveel of nog meer eigen goed, werden tot een nieuw, origineel geheel versmolten, getuigend van de rijkdom van een zoekende jonge geest.

Nog geen veertien jaar oud begon Frederik van Eeden een dagboek hij houden. Eigen gedachten, indrukken van thuis, van gesprekken, van de omgeving, van de lectuur, van gebeurtenissen allerhande met nog eens de eigen reflecties daarover lopen dooreen, vormen die zoekende, vaak piekerende geest. 'Op mijn vijftiende jaar was ik – onder invloed geschriften van Strauss, Heine en Multatuli – volkomen vrijdenker, atheïst en materialist. Mijn godsdienstig gevoel vond nagenoeg geen steun van buiten' (De blijde wereld). In plaats van steun van buiten ondervond hij in die jaren alleen of vooral wat zijn weerstand prikkelde. In Duitsland had hij twee Engelse meisjes leren kennen en bewonderen; uitgenodigd voor een bezoek in Engeland in 1877 maakte hij kennis met de aartsdeftige, formalistische familie, waar de religie in de dodende saaiheid was ingepast, ingesloten. Een verkering met een vierjaar ouder intelligent meisje werd afgebroken: haar ouders achtten de jonge vrijer in religieus opzicht op het verkeerde spoor. Mede door de sfeer van het negativistische voorbeeld van zijn vader, onder de invloed van de positivistische wetenschap, van zijn lectuur en van de onverbiddelijk-veroordeelde huichelarij die hij rondom zag of meende te zien, brak de jonge Van Eeden met het protestantisme, de godsdienst waarin hij was opgevoed.

Nog als veertienjarige parafraseerde hij met instemming Multatuli's Idee 16: 'wat er is buiten stof, weet ik niet'. Dat was voor Multatuli een verworvenheid van de volwassenheid; voor Van Eeden betekende het echter een vertrekpunt. Hij behoorde tot een jonger geslacht, dat met de ouder-wordende negentiende eeuw ook het zegezekere geloof in de materialistische levensleer zag tanen en dat weer gevoelig (of: gevoeliger) werd voor het buiten- en bovenzinnelijke. Was hij een geestelijke zoon van Multatuli, zijn leven begon pas, zijn inzichten groeiden en zeer vlug loochende hij de doelloosheid van het mensenbestaan. De vraag van de kleine Johannes 'Waarom is alles zoals het is?' heeft zeer vroeg zijn leven beheerst en reeds in zijn studiejaren meende hij enig licht te zien in het transcendente, niet echter zoals het werd voorgehouden door de gevestigde Kerken.

Uit idealisme, maar vaak met een bloedend hart, studeerde hij medicijnen te Amsterdam. Hij speelde een vooraanstaande rol in het studentenleven, hij schreef blijspelen die niet zonder joviaal succes werden opgevoerd. Maar in die stenen stad worstelde hij met zijn heimwee naar de duinen, naar de heerlijke natuur rond zijn poëtisch geboortestadje Haarlem. Rauwe studiepraktijken kwetsten hem en bovendien vocht hij om vernieuwende, inspirerende en verlossende levensinzichten.

Uit die zeer complexe achtergronden ontstond De kleine Johannes I. Een dagboeknotitie van 13 februari 1884, 'een der zeven zomerdagen in februari', werd later door Verwey aangewezen als de kiem van het verhaal. Op 22 mei volgde een juichkreet: het plan lag in grote trekken klaar, misschien was het werk al aangevat. In de maanden mei-december 1884 schreef Van Eeden De kleine Johannes I. Pas op 30 juli 1885 greep hij opnieuw naar zijn dagboek; de notitie van die dag, evenals die van 6 augustus daaropvolgend, bevat de kern van het laatste hoofdstuk, de verschijning van de Ongenoemde. Dat veertiende hoofdstuk is een toevoegsel van augustus 1885. Intussen hadden de plannen voor De nieuwe Gids, het revolutionaire jongerentijdschrift van die dagen, vaste vormen gekregen. Het eerste nummer verscheen op 1 oktober 1885 en begon met De kleine Johannes. Zo revolutionair zag het nummer er nog niet uit, maar het was wel het werk van de jongeren. De twee volgende nummers bevatten de resterende hoofdstukken van De kleine Johannes I. Voor de keuze van de definitieve tekst had Van Eeden zijn vrienden geraadpleegd, vooral Willem Kloos. Over de artistieke noodzakelijkheid, de wenselijkheid of de verwerpelijkheid van het slothoofdstuk bestond verschil van mening tussen een categorische Verwey en een aarzelende Van Eeden, die ten slotte het stuk toch liet afdrukken.

Juist in dat laatste hoofdstuk trad een nieuwe begeleider op en daartegen had Verwey grote bezwaren. Voor de evolutie van Van Eedens opvattingen is het nochtans zeer belangrijk: daarin werd de overwinning op Pluizer niet alleen bevestigd, tevens werd Windekinds gevoelige natuurreligie aangevuld met een christendom, niet besmet of vervormd zoals de gevestigde christelijke religies; dank zij die authentiek-christelijke inspiratie, die tegelijkertijd een verloochening van Windekind moest betekenen, vond Johannes zijn roeping: met de Ongenoemde ging Johannes 'de kille nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote duistere stad, waar de mensheid was en haar weedom'.

Dit toegevoegde slot zou kunnen suggereren, dat Van Eeden toen reeds gedacht heeft aan een vervolg. Het verhaal werd trouwens besloten met belofte: 'Wellicht vertel ik u eenmaal meer van de kleine Johannes', maar dat was een vage belofte die Van Eeden niet zo dadelijk kon inlossen: toen had hij zijn eigen geschiedenis verteld tot op dat zelfde ogenblik en voor een geconcretiseerde evocatie van de toekomst was het nog te vroeg. Andere levens-noodwendigheden en -zorgen eisten zijn volle krachten op. Het duurde twintig jaren.

Het vervolg werd dan ook in volkomen andere omstandigheden geschreven. Al bleef dit eveneens een getuigenis van verworven levensinzichten, al waren ook hierin talloze reminiscenties aan en zinspelingen eigen belevenissen verwerkt en aangepast, de toon en ook de inhoud verschilden opvallend. De twee vervolgdelen gaven de uitwerking van een ideaal dat de kleine Johannes aan het einde van het eerste deel had gekozen: de dienst van de mensheid en haar weedom.

Frederik van Eeden had intussen dat ideaal beleefd, het zo goed mogelijk verwezenlijkt met de stichtingen van de kolonie Walden (1898), de vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit (1901) en terwijl hij de vervolgdelen en schreef, werd De Eendracht opgericht (april 1904): drie sociale organisaties en experimenten die hem last en bespotting, zorgen en misères hadden gebracht en nog zouden brengen, maar ook vertrouwen, zelfbevestiging, bewondering en intense vreugden. Van die dienstbaarheid aan de gemeenschap getuigde Van Eeden voortdurend, ook in zijn literair werk.

De volle tribulaties met zijn stichtingen, opgeëist door veelvuldige vergaderingen en toespraken, in een periode van niet-aflatende scheppingsdrift, terwijl hij nog bezig was met andere werken, drukproeven en herdrukken corrigeerde, ondertussen nog veel reisde en gewoontegetrouw veel las, terwijl zijn kinderen voortdurend zijn aandacht vroegen, hem bezorgd of intens gelukkig maakten en terwijl bovendien een nieuwe fase in zijn eigen liefdeleven naar een definitieve beslissing ging, in die overbelaste tijd schreef hij de vervolgdelen. Hij was nog bezig met het bijschaven en afwerken van zijn toespraken Uit 1901-1902, gebundeld in De blijde wereld, toen plotseling, blijkbaar voor hemzelf ook onverwacht, het plan opdook voor een nieuw werk: 'Het tweede deel van De kleine Johannes' (26j uni 1903). De tijd was er rijp voor! Hij kon zelfs niet



AUGUST ALBERT KEERSMAEKERS

August Albert Keersmaekers is geboren op 26 oktober 1920 in Retie. Hij is doctor in de Germaanse Filologie sinds 1952, en emeritus gewoon hoogleraar sinds 1986. August Keersmaekers publiceerde vooral over auteurs van de zeventiende eeuw in Noord en Zuid: Hooft, Bredero, Vondel, Huygens; Van Nieuwenlandt (doctorale dissertatie, bekroond in 1957 met de Provinciale Prijs Antwerpen voor monografie), Heemsen, Meulewels, Ogier, Vrancx, enz. en over de Nederlandse Letterkunde van de negentiende en de twintigste eeuw. In 1968 ontdekte hij een zestigtal onbekende (uit het Frans vertaalde) gedichten van Bredero, uitgegeven in 1981 in de reeks van De Werken van G.A.Bredero; daardoor veranderde het Bredero-beeld en de gangbare interpretatie van vele van zijn amoureuze gedichten grondig. Zijn werk over Consciences De Boerenkryg (1967-1971) bracht een vernieuwing in de Conscience-studie. Hij stond in voor de tekstverzorging van het volledig creatief proza- en dichtwerk van Felix Timmermans (Leuven, Davidsfonds 1989-1994, 25 delen). Het Geluk van een Schrijver is een uitgave van alle bewaarde handschriftelijke teksten van Timmermans' Pallieter, met een inleidende studie, bekroond met de Provinciale (Antwerpen, 2003) en de Interprovinciale Prijs voor Monografie (2003/2004). Hij verzorgde tevens verschillende uitgaven van het Ernest Claesgenootschap, o.a. Het Kerkboekske van Dictus-Ome (1993) en De Witte (1995), enz. August Keersmaekers werkte ook mee aan verschillende tijdschriften.


Make a Free Website with Yola.